Intro
Excel associeer je misschien vooral met saaie werkbladen en cijfertjes, maar met een beetje creativiteit kan je er ook een interactieve quiz mee maken, die bovendien automatisch de score berekent.
De meest eenvoudige quiz bestaat uit een gewone tekstvraag en een simpel antwoord. In cel A staat de vraag, in cel B komt het antwoord. De oplossing van de deelnemer wordt meteen gecontroleerd en je score wordt automatisch bijgehouden. Eventueel krijg je zelfs commentaar bij de antwoorden.
Microsoft Excel is een uitstekende tool om zulke quizzen samen te stellen. In plaats van dat de pineut van dienst het document achteraf moet verbeteren, laten we dat corrigeerwerk over aan een eenvoudige logische functie. We hebben het over de ALS-functie. Die geeft de waarde JUIST mee aan een cel als je antwoord aan een bepaalde voorwaarde voldoet. Of FOUT als je antwoord niet juist is natuurlijk.
STAP 1: Vragen ingeven
Begin bij cel A1 en geef je eerste vraag in. In cel B1 typ je niets. Zorg wel dat deze kolom breed genoeg is om straks de antwoorden in te noteren. Op onze vraag is dat antwoord ‘Batman’. In cel C1 komt de functie die het antwoord controleert. Voluit geschreven is die functie =ALS(B1="BATMAN";"JUIST";"FOUT").
In mensentaal klinkt dat ongeveer zo: Als in cel B1 het woord ‘Batman’ staat, verschijnt er in de cel met de functie het woord ‘Juist’. Zoniet verschijnt er ‘Fout’.
Wanneer je het gelijkheidsteken invoert, weet Excel dat je een functie wil plaatsen. Het programma assisteert je daarbij en helpt je bij de juiste formulering. Is het antwoord een getal, dan mag dat in de functie niet tussen aanhalingstekens staan. Op de vraag ‘Hoeveel continenten zijn er?’ volgt dus de functie =ALS(B2=7;"JUIST";"FOUT") en dus niet =ALS(B2="7";"JUIST";"FOUT").
De ALS-functie is trouwens niet hoofdlettergevoelig. Je hoeft dus bij de antwoorden geen rekening te houden met hoofdletters.

STAP 2: Score optellen
Kolom D gebruiken we om de score op te tellen. Voer er de volgende ALS-functie in: =ALS(C1="JUIST";1;0). Hierdoor zal er in kolom D een ‘1’ verschijnen iedere keer als er ‘Juist’ staat in kolom C.
Na de mededeling ‘Fout’ verschijnt er een 0. Vervolgens herhaal je stap 1 tot je alle vragen en antwoorden hebt genoteerd. In ons voorbeeld zijn dat er tien.
Laat daarna in cel D11 alle eentjes en nullen optellen met =SOM(D1:D10). Heb je meer dan 10 vragen, dan geef je in plaats van ‘D10’ uiteraard de laatste cel in waarin een 1 of 0 verschijnt.

STAP 3: Feedback geven
Om de deelnemer aan te moedigen, kan je feedback geven op zijn totaalscore. In dit geval willen we dat de uitroep ‘Zwak!’ verschijnt als iemand minder dan 5 scoort. Scoort men minder dan 8 dan, moet er ‘Gemiddeld’ verschijnen, bij een 8 of 9 ‘Goed’ en bij 10 ten slotte ’Perfect’.
Voeg dus in cel E11 een geneste ALS-formule in die er als volgt uitziet: =ALS(D11<5;"ZWAK!";ALS(D11<8;"GEMIDDELD";ALS(D11<10;"GOED";"PERFECT")))
Sluit deze functie af door op ENTER te drukken.

STAP 4: Antwoorden verstoppen
Deze quiz werkt perfect, maar hoe zeker ben je dat de kandidaat niet stiekem gaat spieken? In de ALS-functie van de cellen in kolom C kan hij immers gewoon de goede antwoorden lezen. Om dit te vermijden, zal je de antwoorden moeten verbergen.
Klik onderaan op het tabblad van Blad 2 en typ in kolom A alle antwoorden netjes onder elkaar. In cel A1 van Blad 2 komt dus het antwoord van de vraag in cel A1 van Blad 1, enzovoort.
Als dat is gebeurd, keer je terug naar Blad 1. In cel C1 verander je de functie in =ALS(B1="";"";ALS(B1=BLAD2!A1;"JUIST";"FOUT")). Deze functie geeft aan dat cel C1 voor het juiste antwoord moet kijken in cel A1 van Blad 2. Kopieer deze functie snel naar de andere cellen in kolom C door ze naar beneden te slepen.
Natuurlijk kan iedereen de antwoorden nog steeds aflezen van Blad 2. Daarom klik je met de rechtermuisknop op het tabblad van Blad 2 en kies je de opdracht VERBERGEN. Als je later opnieuw toegang tot dit blad wil hebben, klik je opnieuw met de rechtermuisknop op een tabblad onderaan en selecteer je de opdracht ZICHTBAAR MAKEN.

STAP 5: Blad beveiligen
Quizzers zijn per definitie inventief. Om te vermijden dat een handige jongen alsnog het verborgen blad oproept om de juiste antwoorden te achterhalen, kan je de antwoorden nog beter beschermen. Het nadeel is dat je daarvoor je hele document moet beveiligen, maar gelukkig kan je een aantal cellen uitzonderen.
Duid dus eerst aan in welke cellen je wel gegevens mag wijzigen. Dat zijn die waar de antwoorden moeten komen, B1 tot en met B10. Daarna klik je met de rechtermuisknop op de selectie en kies je CELEIGENSCHAPPEN. In dit venster gebruik je het tabblad BESCHERMING. Daar vink je de vakjes voor GEBLOKKEERD en VERBORGEN uit.
Vervolgens ga je naar EXTRA, BEVEILIGING, BLAD BEVEILIGEN of kies je in Excel 2007 de opdracht BLAD BEVEILIGEN in het vak CELLEN. Geef een wachtwoord in.
Standaard staan enkel de twee opties aangevinkt: VERGRENDELDE CELLEN SELECTEREN en ONTGRENDELDE CELLEN SELECTEREN. Zorg dat alleen de tweede optie actief is. Klik op OK en bevestig je wachtwoord.

STAP 6: Meerkeuzevragen
Werk je graag met meerkeuzevragen, dan open je Blad 2 van een nieuw Excel-document. Geef in kolom A de mogelijke antwoorden op.
Wat bedoelen Waaslanders bijvoorbeeld met het woord ‘oekedoel’? Je kan kiezen tussen ‘regenworm’, ‘kikker’, ‘dikkopje’ en ‘salamander’ (het antwoord is ‘dikkopje’). Geef op die manier ook de antwoorden in op de andere vragen.
Daarna selecteer je de eerste groep antwoorden, dus de cellen A1 tot en met A4. In het naamvak (linksboven) benoem je deze eerste groep antwoorden met ‘Vraag1’ (zie afbeelding). Druk op ENTER en doe daarna hetzelfde met de cellen A6 tot en met A9. De tweede groep noem je ‘Vraag2’. Herhaal dit tot alle groepen antwoorden een eigen naam hebben gekregen.

STAP 7: Antwoorden en vragen koppelen
Breng daarna Blad 1 op de voorgrond. Tik in de A-kolom de vragen in. Klik op cel B1 en navigeer naar het menu GEGEVENS, GEGEVENSVALIDATIE.
In het venster GEGEVENSVALIDATIE gebruik je het tabblad INSTELLINGEN. Bij TOESTAAN opteer je voor de instelling LIJST. In het vak BRON typ je =Vraag1.
Hiermee geef je aan dat Excel zal voorkomen dat iemand ongeldige gegevens in deze cel kan invoeren. Je moet het juiste antwoord dus aanduiden uit een lijst die je daarnet hebt benoemd met ‘Vraag1’. Doe dit ook voor de andere vragen.

STAP 8: Corrigeerfunctie
Kijk terug naar Blad 2 en noteer de cellen waar de juiste antwoorden staan. In het voorbeeld zijn dat voor de eerste vraag de cel A3 en voor de tweede vraag A6.
Vervolgens keer je terug naar Blad 1 en geef je in cel C1 de functie =ALS(BLAD1!B1=BLAD2!A3;"JUIST";"FOUT") in.
Dat betekent dat als de gegevens van cel B1 overeenkomen met de inhoud van cel A3 op Blad 2, dat er dan het woord ‘Juist’ verschijnt. Daarna kan je nog de juiste antwoorden laten optellen in kolom D en eventueel commentaar op de score laten verschijnen in de volgende kolom (zie stap 2 en 3).

STAP 9: Toeters en bellen
Wil je je quiz voorzien van een introductiepagina, waar je eventueel de instructies zet? Klik met de rechtermuisknop op het tab van Blad 1 en kies de opdracht INVOEGEN. In het venster dat verschijnt, kies je WERKBLAD en daarna klik je op OK.
Om het eigenlijke quizblad vorm te geven, selecteer je de bovenste rij. Klik met de rechtermuisknop en kies alweer INVOEGEN. Er verschijnt een nieuwe rij waarin je de kolomtitels kan plaatsen. Uiteraard zal je deze kolommen van de nodige opmaak voorzien. Gebruik bijvoorbeeld een van de verschillende klaargemaakte stijlen die Excel in petto heeft en zorg dat de scoretabel een andere kleur krijgt.
In plaats van gewone tekstvragen te stellen, is het eveneens mogelijk om geluidsfragmenten te laten horen of afbeeldingen toe te voegen. Voor geluid ga je naar INVOEGEN, OBJECT. Geef aan waar op je harde schijf het geluidsbestand staat.
Om een afbeelding te plaatsen, gebruik je INVOEGEN, AFBEELDING. Verklein de afbeeldingen wel eerst in een beeldbewerker, want anders zou je Excel-bestand snel erg groot kunnen worden.