Wie laster verkoopt op het internet, wordt zo goed als niet vervolgd door de correctionele rechtbank. Omdat uitlatingen op het web worden aangezien als drukpersmisdrijf, gaat de zaak naar het hof van assisen. In praktijk gebeurt daar echter weinig en wacht de zaak op een seponering of verjaring.

Afgelopen week verwees de correctionele rechtbank van Brussel een ex-lid van het Front National naar het hof van assisen. De man pleegde op internet laster tegenover een politiecommissaris. Maar de rechter besloot dat het in dit geval om een drukpersmisdrijf gaat, waardoor de zaak automatisch bij assisen terechtkomt.

Geen uitspraak
“In praktijk komt het neer op een strafrechtelijke immuniteit”, zegt advocaat Patrick van Eecke van advocatenkantoor DLA Piper. “Het probleem is dat assisen zich liever bezighoudt met belangrijkere dingen zoals moordzaken.” Hierdoor wordt een kwestie rond laster op internet vaak naar achteren geschoven, waardoor er nooit een uitspraak komt.

De reden dat een drukpersmisdrijf naar het hof van assisen gaat, en een gewone scheldpartij niet, is ter bescherming van de journalist. “Omdat dan een volksjury zich moet uitspreken en de beslissing dus niet ligt bij één rechter”, verduidelijkt van Eecke. Volgens de grondwet gaat het enkel om gedrukte pers zoals kranten en tijdschriften.

In praktijk wordt dit de laatste jaren echter breder geïnterpreteerd, waardoor ook lasterlijke uitspraken op internet, door eender wie, naar het hof van assisen worden geschoven. Dit terwijl dezelfde uitspraken op straat wel voor een correctionele rechtbank komen. “Het is dus beter om iemand uit te kafferen op internet dan op straat”, concludeert de advocaat.

Dat er niets gebeurt, is uiteraard mooi meegenomen voor diegene die iemand anders uitscheldt op internet, maar op lange termijn heeft de situatie wel gevolgen. “Zo ontstaat er geen rechtspraak over die zaken en weten we niet wat wel en niet mag in de praktijk”, aldus Van Eecke.

Wel burgerlijke rechtszaak
Voor alle duidelijkheid, we willen hier niet oproepen om er voortaan online op los te schelden. Er is los van de strafrechtelijke procedure immers nog steeds een rechtszaak mogelijk via de burgerlijke rechtbank. Die richt zich dan specifiek op de schadevergoeding die de benadeelde partij eist.

Hiervoor kan de onderzoeksrechter overigens ook de identiteit achter het IP-adres laten opvragen bij de provider. Al gebeurt dat volgens Van Eecke vooral bij ernstige zaken zoals kinderporno.