Microsoft werkt aan een nieuwe prestatiefunctie voor Windows 11 die apps sneller moet laten openen en menu’s vlotter laat reageren. Online ontstond daar de voorbije dagen heel wat discussie over, nadat testers ontdekten dat Windows tijdelijk de kloksnelheid van de processor verhoogt bij bepaalde acties. Volgens critici zou Microsoft daarmee prestaties ‘kunstmatig oppompen’, maar ontwikkelaars en power users wijzen erop dat dit eigenlijk al jaren standaardpraktijk is bij moderne besturingssystemen.
De functie maakt deel uit van Microsofts bredere focus op de prestaties en responsiviteit van Windows 11. Vooral op tragere laptops of oudere hardware moet het systeem daardoor merkbaar soepeler aanvoelen tijdens dagelijks gebruik. De nieuwe optimalisatie richt zich vooral op interactieve taken. Denk aan het openen van Verkenner, het Startmenu oproepen, wisselen tussen apps of snel een contextmenu openen. Op zulke momenten kan Windows de processor gedurende één tot drie seconden tijdelijk op hogere snelheid laten draaien om vertragingen weg te werken.
Volgens vroege tests levert dat vooral winst op bij het openen van ingebouwde apps en systeemonderdelen. Menu’s reageren sneller, programma’s starten vlotter op en het geheel voelt directer aan. Microsoft probeert daarmee minder te focussen op pure benchmarks en meer op hoe snel Windows in de praktijk aanvoelt.
Dat leidde online wel tot kritiek. Sommige gebruikers noemden de functie een vorm van ‘valsspelen’, omdat de processor kortstondig extra wordt belast om betere prestaties te tonen. Toch reageren veel ontwikkelaars verbaasd op die kritiek, omdat vrijwel elk modern besturingssysteem vandaag al vergelijkbare technieken gebruikt.
macOS en Linux doen dit al jaren
Vooral macOS wordt vaak aangehaald als voorbeeld. Apple-systemen staan bekend om hun snelle en vloeiende reacties, zelfs wanneer de hardware op papier niet altijd veel krachtiger is dan die van concurrenten. Dat komt onder meer doordat macOS interactieve taken bewust voorrang geeft en de CPU tijdelijk opvoert zodra gebruikers een app openen of met de interface werken. Gebruikers kunnen dat gedrag zelfs zelf controleren via Terminalcommando’s die het energie- en processorgebruik monitoren. Daaruit blijkt dat macOS voortdurend dynamisch schakelt tussen prestaties en energieverbruik.
Ook Linux gebruikt al jaren soortgelijke technieken via zogenaamde ‘CPU governors’. Die regelen automatisch hoe agressief de processor moet reageren afhankelijk van de belasting. Vooral desktopgerichte Linux-distributies zetten sterk in op snelle responsiviteit tijdens dagelijks gebruik. Het idee achter die aanpak is eigenlijk vrij eenvoudig: een processor permanent op maximale snelheid laten draaien zou veel meer energie verbruiken en extra warmte produceren. Korte prestatiepieken zijn efficiënter en zorgen tegelijk voor een vlottere gebruikerservaring.
Microsoft lijkt die filosofie nu nadrukkelijker naar Windows 11 te brengen. Zeker omdat veel gebruikers al langer klagen dat Windows soms minder soepel aanvoelt dan macOS, zelfs op krachtige systemen. Als de nieuwe optimalisaties doen wat Microsoft belooft, zou Windows 11 eindelijk een stuk sneller en responsiever kunnen aanvoelen zonder zware impact op batterijduur of temperatuur.
Marijn Ceulemans579 berichten
Herinnert zich nog perfect het opstartdeuntje van Windows 95. Nostalgische ziel die tegelijk graag op de hoogte blijft van de evoluties in techland. Ziet Windows, een iPhone en Google-apps als de ideale combinatie.